technieken » randapparatuur
In iedere CV-installatie is een expansievat opgenomen. Het expansievat moet de uitzetting
door het verwarmen van het CV-water opvangen. We onderscheiden hierin het z.g. open-
en gesloten systeem.
Een open systeem heeft een voorraadvat op het hoogste punt van de installatie. Het is een
bak, gedeeltelijk gevuld met CV-water. Bovenin de bak is een overloop gemonteerd en staat
in verbinding met een afvoer om volvulling te voorkomen. Wanneer het water door verwarming
gaat uitzetten zal het waterniveau in de bak stijgen.

Een gesloten
systeem heeft een stalen drukvat, opgebouwd uit twee kamers, gescheiden door een membraan.
De bovenste kamer staat in verbinding met de CV-installatie en zal zich vullen met CV-water.
De onderste kamer is gevuld met stikstof met een bepaalde gebruiksdruk [50 KPa 100 kPa 150 KPa].
Bij het verwarmen zal het water gaan uitzetten en drukt tegen het membraan. De stikstof
zal worden samengeperst en het membraan naar beneden bewegen. Op deze manier komt er meer
volume vrij om de uitzetting van het water op te vangen.
De grootte van het expansievat is afhankelijk van:
- De bedrijfstemperatuur.
De grootte van de volumetoename door uitzetting is afhankelijk van de temperatuurverhoging
van het water. De maximale temperatuurverhoging is 80ºC. [ 90ºC maximale stook
temperatuur en 10ºC in koude toestand ]
- De waterinhoud.
De uitzetting van water bij een temperatuursverhoging
van 80% is ongeveer 3,5%. Is de inhoud van een installatie 750 liter dan is de
volumetoename ruim 25 liter.
- De druk in de CV-installatie.
De gebruiksdruk van het expansievat is afhankelijk van de hoogte van de installatie en de
plaats waar het expansievat gemonteerd is. Is de hoogte van de installatie 9 meter dan is
de statische druk 90 KPa. Een vat onder in de installatie gemonteerd moet dan een minimale
gebruiksdruk hebben van 100 KPa. Zouden we voor 50 KPa kiezen dan zal alleen de statische
druk het membraan al maximaal uitrekken en blijft er voor de gewenste expansie weinig meer
over.
Een overstortventiel beveiligt de installatie tegen een te grote overdruk. Wanneer de druk
in de CV-installatie boven de 300 KPa [3 bar] stijgt zal de klep openen en het teveel aan
druk(water) worden afgevoerd.
Wanneer de druk te hoog oploopt kan dit gevaarlijke situaties opleveren. Alhoewel de meeste
installatie onderdelen beproefd zijn op een veelvoud van 300 KPa kan door een regelfout de
druk gigantisch oplopen. Bijvoorbeeld wanneer het toestel door blijft branden en er stoomvorming
optreedt. De installatie zal op het zwakste punt uit elkaar springen. In de meeste gevallen zal
het ventiel openen wanneer het expansievat defect is. De volumetoename zal worden uitgestort.
Een inlaatcombinatie is nodig wanneer de warmwatervoorziening van de CV-ketel of boiler
rechtstreeks is aangesloten op de koudwaterleiding. De inlaatcombinatie bestaat uit een
stop- en beproevingskraan, een terugslagklep en ontlastventiel.
- Stopkraan
Met de stopkraan wordt de watertoevoer naar het toestel afgesloten. Het toestel kan
ontkoppeld worden van de waterleiding zonder de hoofdkraan af te sluiten.
- Terugslagklep
De terugslagklep voorkomt dat (warm)water terugstroomt in de koudwaterleiding.
Terugstroming zou kunnen optreden wanneer de druk in de boiler groter is dan de
waterleidingdruk. Bijvoorbeeld bij het wegvallen van de druk in het waterleidingnet. Ook
tijdens het verwarmen van het water in de boiler stijgt de druk als gevolg van het
uitzetten van het water.
- Beproevingskraan
Het beproevingskraantje is opgenomen om de werking van de terugslagklep te controleren. De
kraan is voor de terugslagklep gemonteerd en bij gesloten stopkraan mag bij het verwarmen
van de boiler geen water uit het beproevingskraantje komen.
- Ontlastventiel
Het ontlastventiel voorkomt een te hoge druk in de boiler. Is de druk hoger dan 800 KPa
[8bar] zal deze openen en het teveel aan [druk]water lozen. Bij het opwarmen van de boiler
zal deze continue water lozen. Een inlaatcombinatie moet dan ook altijd op een afvoer
worden aangesloten. Dit gebeurt d.m.v. een open glazen trechter om optische controle
mogelijk te maken.
|